dien thoai gia re , dau gia bizgia.net , the gioi smartphone , download game mobile downloadgamemobile.info , smartphone , tang truong tangtruong.net , khoa hoc cong nghe thong cong thongcong24h.vn , mua ban sim , Smartphone gia re , cong nghe congnghetuonglai.org , cong nghe congnghe360.org , giai tri guongmat.org , su kien sukientrongngay.net , thoi trang hi tech , thong tin thongtin360.net , may tinh bang gia re , perfect body , dien thoai xach tay , gia vang hom nay , kiem dinh kiemdinh3.com , kinh te viet nam , xay dung viet nam , thoi trang , thoi trang , phu nu viet nam , tin tuc moi online , dich vu bao ve viet nam , bao ve viet nam , cong ty bao ve viet nam , tin tuc moi online , giai tri 24h , tin tuc 24h

Uersti: mijn leven, mijn zelfmoord

E-mailadres
Letter GrootteLarger FontSmaller Font
2 januari 2008

Een verhaal over Spiritueel Bedrog, vanuit het Hiernamaals


M

ijn naam is Uersti en ik zou graag mijn ervaring delen van mezelf toen ik hier op Aarde was.

Waar begin ik…

We waren met vijf kinderen: vier jongens en een meisje – ikzelf was dat ene meisje en ik was de jongste van het gezin. Mijn moeder had ons allemaal in haar eentje grootgebracht, aangezien ik mijn vader nooit gekend heb – hij was tijdens de oorlog gestorven. We leefden net buiten de stad – we voorzagen in ons eigen voedsel, alleen andere noodzakelijkheden kochten we in de stad.

Mijn moeder stierf toen ik 9 was – op een dag zakte ze gewoon in elkaar terwijl ze buiten bezig was de was op te hangen en werd niet meer wakker. Ik was dus achtergelaten om door mijn broers opgevoed te worden…

Toen ik 9 was, was de oudste broer 21, die daarna kwam was 19, die daarna was 15 en die daarna was 12. We gingen naar de plaatselijke school, maar de omgeving waar we woonden was heel erg arm. We werkten zoveel mogelijk waar we iets te doen vonden en we hadden onze eigen groentetuin en maakten ons eigen brood enzovoorts, dus we zorgden voor onszelf.

Mijn oudste broer was in deze ‘groep’, een clan, die Geesten aanbad en vereerde – ze droegen kledingstukken die van de Aarde gemaakt waren zoals planten, maakten een vuur en dansten rond het vuur en offerden ‘al dode dieren’, die ze in de omgeving vonden waarin we verbleven, aan de Geesten zodat de Geesten hun zielen ter ruste zouden kunnen leggen – want ze geloofden dat als ze dit deden, de Geesten hun ziel zouden redden/sparen wanneer ze op een dag zouden komen te sterven en ze naar het koninkrijk van de hogen zouden gaan. Ik herinner me dat mijn oudste broer mij over dit alles verhalen vertelde en hoe hij de Geesten in hem en de anderen kon voelen komen wanneer ze het dode dier aan de Geesten presenteren om de ziel van het dode dier te redden waar deze zich ook zou mogen bevinden – en hoe de Geesten door hen heen komen en spreken en vreemd handelen terwijl ze rond het vuur dansen. Niet al mijn broers waren hierin betrokken – enkel de vijfde, de vierde en de derde. Mijn broer die 12 was, was erg stil – hij en ik waren het meest intiem, hij was te bang voor de Geesten om zich bij de groep/clan aan te sluiten die “Het Koninkrijk van de Hogen” genoemd werd, maar ik was nieuwsgierig – ik was niet bang.

Dus, toen ik 10 was, bijna 11 – kwam mijn oudste broer terug van één van hun vererings-avonden en hij zei tegen me dat de Geesten iedereen in de clan/groep door hem heen verteld hadden dat ze mij moeten brengen, omdat ik heel belangrijk ben, ik moet de prinses van de clan/groep worden en dat ik hier op Aarde ben voor de Geesten. Dat de Geesten me hier naar de Aarde gestuurd hadden voor hen, zodat zij naar de Aarde zouden kunnen komen en alle zielen redden van alle doden die al waren gestorven, in het bijzonder de dieren – omdat de dieren gezien werden als de meest heilige van de soorten op de Aarde – en wanneer ze bijvoorbeeld een dode hond op straat zouden vinden die naar buiten gesmeten was en dood achtergelaten – zulke dieren zouden ze nemen en offeren aan de Geesten.

Ik was heel erg opgewonden, maar mijn broer die vlak voor mij geboren was, waarschuwde mij, hij wilde niet dat ik ging – maar ik luisterde niet. Ik adoreerde mijn broers echt omdat ik altijd voelde dat zij voor me zorgden, ze waren altijd perfect wanneer ze bij me waren en ik had het gevoel dat ze begrepen wat ik vanbinnen voelde, in het bijzonder toen mijn moeder stierf – want ik voelde mij alleen, zij namen het gevoel van alleen-zijn weg want zij brachten zo veel tijd met me door. Ik voelde mij heel verdrietig en ik miste haar heel erg, ze namen het gevoel weg wanneer ze met lachten of met me speelden met mijn poppen of buiten lieten ze mij met hen meespelen met de bal. Ze werden allemaal mijn moeder en mijn vader die ik niet meer had en die ik niet kende. Ik voelde mij altijd veilig en beschermd en ik hield van hen met heel mijn hart – in die tijd, was ik een onschuldig meisje, dat zichzelf ervaarde alsof zij omwikkeld werd met liefde en zorg na alles wat ik doorgemaakt had met mijn moeder die gestorven was – het was moeilijk om mijzelf te troosten toen ze gestorven was, want ik was aanvankelijk bang om alleen gelaten te worden met mijn broers omdat ze altijd gemeen waren, kwaad, geïrriteerd en bot, maar ze veranderden naar mij toe toen mijn moeder stierf – en alles was in orde gedurende een jaar of twee – totdat ik me bij hun groep/clan aansloot samen met vele anderen. In totaal waren er negen in de groep/clan – ik was de jongste, de rest waren allemaal mannen.

 

D

e avond kwam voor mijn broers en mij (de broer die me gewaarschuwd had was uitgekozen als verantwoordelijke om op het huis te passen terwijl we weg waren). De plaats van verering was achter een oud gebouw, ongeveer op 45 minuten wandelafstand van waar we woonden, ver weg van de beschaving, achter een heuvel. Toen we aankwamen, was het vuur al aan het branden en de andere mensen waren al aangekomen – er lag een stapel dode dieren naast het vuur. Ik herinner me dat ik twee dode honden zag, een rat, drie dode katten, een onderdeel van een koe zo leek het wel, zelfs kleine wezens zoals kevers en hagedissen – de stank was vreselijk. Er was een wijde cirkel rond het vuur gemaakt, in de lijnen van de cirkel plaatsten ze witte bloemen. Mijn oudste broer maakte mij een jurk van een wit laken en ik moest blootsvoets naar deze specifieke plaats lopen – mijn voeten deden pijn en waren aan het bloeden want ik trapte op doorns en stootte mijn tenen tegen stenen omdat het donker was – maar mijn broers vertelden mij dat het onderdeel is van mijn initiatie in Het Koninkrijk van de Hogen en dat ook zij hun eerste keer blootsvoets hadden moeten doen.

Dan waren er kleinere cirkels rond de grotere cirkel rond het vuur, deze cirkels waren ook op één lijn geplaatst met de bloemen – dit waren de cirkels waarin we zouden gaan staan.

Er was een oude man daar – hij zat alleen voor een pot, iets te brouwen dat bijna even verschrikkelijk rook als al die dode dieren tezamen – hij had lang grijs haar, zijn gezicht was gerimpeld, zijn ogen leken leeg alsof er niets achter zijn ogen was dat door die ogen keek. Ik herinner me dat ik dacht: hij is een levend spook en ik dacht dat hij misschien één van de Geesten hier op Aarde was.

Ik herinner me dat ik me vereerd voelde van dit alles deel te mogen uitmaken, en ik zwoor vanbinnen dat ik noch mijn broers nog de Geesten zou teleurstellen. Ik voelde mij heel belangrijk. Ik voelde mij speciaal. Ik voelde mij gewenst. Ik voelde mij alsof ik ergens thuishoorde. Ik voelde mij alsof ik een doel had, een taak in deze wereld die heel belangrijk is en omwille daarvan – was ik niet bang. Ik hield van dieren en het was heel erg en hartverscheurend de manier waarop ze gestorven waren en ik voelde mij heel erg geëerd dat ik in staat zou zijn hun zielen naar de Geesten te sturen zodat zij voor hen zouden zorgen en ik wist dat ik me bijzonder zou voelen door dit te doen, want ik zou gewild hebben dat iemand anders het voor mij zou doen – dus zou ik mezelf, mijn leven aan de dieren geven en alles doen wat maar nodig was, zolang ik ertoe in staat was – om zoveel mogelijk van de dierenzielen naar de Geesten te brengen. Ik hield van dieren en ik wist dat ze op deze wereld behandeld werden op een manier die niet zou mogen – Ik voelde dit zelfs in mijn eigen leven, dat noch ik noch iemand anders in deze wereld pijn of verdriet zou mogen ervaren – dus ik hoopte dat als ik de Geesten aanbad en hen behaagde – zij mijn leven beter zouden maken, misschien kon ik zelfs de pijn en het verdriet van iedereen in deze wereld wegnemen indien de Geesten mij goedkeurden – want ik ben een prinses van de Geesten en ik zal gebruiken wat mij gegeven is om zoveel mogelijk mensen en dieren in deze wereld van hun lijden te verlossen. Ik was trots op mijn broers, ik was er trots op dat ze gaven om de dieren en ik wist in mezelf dat hierdoor de Geesten ook goed waren en dat is ook de reden waarom ik geen angst in mij had.

Mijn oudste broer zei tegen me dat ik naar de oude man moest lopen en voor hem knielen. Dat is wat ik deed – ik was extreem nerveus omdat ik alles perfect wilde doen. Toen ik naar de oude man stapte, nam hij een mes – ik herinner me dat zijn ademhaling luid en zwaar was en zijn handen beefden lichtelijk. Hij nam het mes, trok de broekspijp van zijn linkerbeen op, waardoor zijn linkerdij ontbloot werd en er waren veel sporen van sneeën op zijn been – bijna zo veel dat er niets anders dan de contouren van de sneeën te zien waren op zijn been – ik ging van nerveus naar beangstigd. Hij nam het mes en sneed zichzelf in zijn been – ik wilde mijn ogen afwenden, maar mijn ogen waren gefixeerd op het hele gebeuren van de man die in zijn been sneed en het bloed dat eraf droop – het was één diepe snee. Hij zoog het bloed uit zijn wonde en wuifde dat ik moest komen, dus ik richtte mij op van mijn geknielde positie en ging naar hem toe – hij kuste me met zijn bloedbesmeurde lippen op het voorhoofd, op de wangen, in de nek en in het midden van mijn borstkas. Hij zei tegen mij dat hij het bloed van de Geesten in zich droeg. Dat klonk voor mij ergens wel logisch – dus ik was er oké mee. Hij gaf me vervolgens een houten beker van het brouwsel dat hij aan het maken was in de pot en zei me het op te drinken – het was de drank van de Aarde, afkomstig van de Aarde – Ik behoor toe aan de Aarde, gezegend door het bloed van de Geesten en dus zou ik de dienaar van de Geesten van de Aarde worden en met hen meereizen en beschermd zijn in de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen. En dus dronk ik de drank – nadat ik de hele kom leeg had, begon iedereen rondom ons te vieren en ik voelde mij heel vermoeid, want alles wat ik rondom me zag begon zich door elkaar te mengen tot één – ik zag de individuele vormen niet voor me zoals je dat normaal doet – het was als een schilderij zien van een huis met bomen rondom en duidelijk een vuur dat brandde en veel mensen er rondom, waarbij alle kleuren en vormen met elkaar vermengd geraakten. Ik zag enkel kleuren overal rondom mij en mensen vaagweg, heel vaag – maar ik voelde me wonderlijk en ik kon mezelf de hele tijd voelen glimlachen: Vrij is de wereld. Ik voelde dat iemand mijn hand nam, het voelde als de hand van één van mijn broers en hij zei: Je bent nu een van ons, je behoort tot de Geesten – en zo dansten we rond het vuur, we gooiden de dode dieren in het vuur en ik kon hun gevangen zielen werkelijk vanuit de karkassen omhoog zien gaan, omhoog, omhoog, omhoog – tot in de sterren – ze waren in de sterren! En ik zag allerlei soorten witte mensen achter de mensen die aan het dansen waren, maar zij dansten niet met ons mee – ze waren aan het kijken, en ze hadden zwarte ogen, maar al de rest was wit. Ik was niet bang.

Toen alle dode dieren in het vuur gegooid waren en we klaar waren met dansen – lagen we allemaal in een cirkel met onze voeten tegen elkaar, naar de sterren te kijken – het Koninkrijk van de Hogen bevond zich in de sterren waar de Geesten leven – en dat is waar we hen heen gestuurd hebben, geloofde ik. Ik had mij nog nooit zo gelukkig gevoeld.

 

M

ijn broer die thuis gebleven was, was heel aangedaan toen ik hem vertelde wat we aan het doen waren – hij zag het als kwaadaardig. Ik was vastberaden om hem te doen inzien dat het goed was.
We deden het slechts één keer per week. Dus de volgende week gingen we opnieuw, ik was toen slechts 11 jaar oud. Maar deze keer zouden de Geesten mij laten weten wat mijn taak zou zijn als prinses van de Geesten. Toen we samenkwamen, dronken we opnieuw van het brouwsel dat de oude man bereid had en ik had opnieuw de ervaring dat alles wazig werd, ofschoon ik mijzelf toch wonderlijk ervaarde. Ik dacht op dat moment niet dat het door het brouwsel kwam – ik geloofde dat het de Geesten waren die in mij kwamen en dat ik door hun ogen de wereld zag. Mijn oudere broer kwam naar mij toe gestapt nadat hij alleen op de heuvel met de Geesten was gaan spreken; hij zei me dat de Geesten hem verteld hadden dat het mijn eerste taak was om voor de oude man te zorgen voor hen – aangezien hij zeer oud en zwak was en hij een van hun meest geliefde mensen op Aarde was – omdat hij degene was die zij hadden aangesteld om de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen te beginnen en het is een zeer bijzondere taak om te volbrengen en de Geesten zullen erg tevreden zijn. Ik was bang om alleen te zijn met deze oude man, maar ik geloofde dat de Geesten voor mij zouden zorgen en dat mijn broers mij zouden beschermen. Dus ik ging akkoord.

Ik ging nog steeds naar school, altijd – vertelde nooit aan niemand waar ik in betrokken was. Ik droeg zorg voor de oude man gedurende twee jaar totdat ik dertien was – ik las voor hem, kookte voor hem, mijn broers brachten ons voedsel voor de week en ik droeg zorg voor ons. Hij vertelde me vele verhalen en ik vond hem leuk – hij was als een grootvader voor mij. Totdat hij op een avond stierf – ik kwam het pas de volgende ochtend te weten. Dus, mijn oudere broer werd toen verkozen om leider te zijn van de Cirkel van het koninkrijk van de Hogen. Alles ging goed enkele jaren, vanaf dat ik elf was totdat ik dertien was – maar toen ik veertien werd… ging alles heel erg bergafwaarts. Want in de bijeenkomst toen mijn broer leider zou zijn – zou ik alleen voor hem moeten zorgen en we zouden beiden in het huis van de oude man moeten wonen. Ik was dienaar van de Geesten en ik was hier fier op.

Maar – toen ik alleen was met mijn broer, zei hij tegen me dat ik via hem een kind voor de Geesten moest baren – dat het kind dat ik zal krijgen van de Geesten zal zijn en dat het het eerste kind van de Geesten op deze wereld zal zijn en dat wij de eersten zouden zijn om de Geesten op Aarde te brengen om de dieren te helpen en andere mensen om hen te tonen hoe we moeten leven – om de pijn en het lijden in deze wereld te doen ophouden.

Ik wilde het niet doen. Ik was heel, heel, heel bang – maar mijn broer was altijd zo lief tegen me en ik had gezworen alles en wat maar mogelijk was te doen om de Geesten tevreden te stellen. Dus deed ik het – maar ik zei hem: voor één keer. Het was een heel pijnlijke ervaring – hij was heel ruw met me. Niet zachtaardig zoals ik hem ervaren had als hij tegen me sprak of met me speelde of me hielp met mijn huiswerk. Allen in de familie hadden ergens een baan dus we hadden net genoeg geld om voor onszelf te zorgen.

Ik zei tegen mezelf dat het oké was – ik doe dit voor de dieren, voor de mensen die pijn hebben en lijden.

Maar hierna bleef mijn broer sommige avonden in mijn kamer komen en ik kon ruiken dat hij dronken was – ik probeerde hem uit mijn bed te schoppen en hem te zeggen: Nee! Maar hij was veel sterker dan ik en dwong me en soms sloeg hij me, soms sloeg hij me zo hard dat ik bewusteloos viel en wanneer ik wakker werd vond ik bloed op de lakens omdat hij zo hard seks met mij gehad had dat ik was beginnen bloeden. Dit duurde drie weken – en we gingen nog steeds naar bijeenkomsten elke week en ik bleef bij mijn broer. Ik bad voor de Geesten om mij te beschermen en vroeg mij af waarom ze mij niet beschermden en waarom ze mijn broer mij dit lieten doen, ik heb pijn en ik ben aan het lijden. Hoe kan ik de andere mensen en de dieren helpen als ik lijd en pijn heb? Dus ging ik praten met mijn oudere broer en hij zei dat de Geesten hem zo gemaakt hadden zodat ik kan begrijpen welke pijn en welk leed de wereld kent om het te begrijpen, om hen te begrijpen en alleen wanneer ze tevreden zouden zijn dat ik pijn en leed begrijp zouden ze mijn broer laten ophouden te zijn wie ze hem gemaakt hadden te zijn om mij ook voor te bereiden om leider van de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen te worden.

 

I

k verwachtte dit niet. Ik dacht dat ik hier was om de Geesten te helpen de pijn en het leed te stoppen – niet om mij dit ook te laten meemaken. Ik had medelijden met mijn broer; want ik dacht dat het voor hem ook moeilijk moest zijn – omdat de Geesten veel van ons vroegen. Maar ik deed het. Hij sloeg me, smeet me door de kamers van het huis, deed me pijn door seks met mij te hebben – in die periode voelde ik mij alsof ik het vanbinnen aan het begeven was. Ik verborg alle wonden wanneer ik naar school ging. Toen ik 17 was – al die jaren ging ik door met zo veel mogelijk pijn en leed te ervaren als maar mogelijk was zodat de Geesten konden zeggen dat ik genoeg gehad had – maar dat gebeurde nooit. Op mijn 17e had ik moeilijkheden om te lopen – mijn spieren hadden pijn en ik had zere plekken op mijn lichaam. Ik maakte zelfs mijn school af. Ik ging door met de bijeenkomsten – maar dan zag ik niet langer de dierenzielen naar de sterren gaan – ik zag slechts de dieren branden, dronk het brouwsel – en danste. Maar het enige waar ik mij aan vastklampte, was dat wanneer dit alles voorbij was, ik eindelijk in staat zou zijn om de dieren en de mensen op Aarde te helpen op de manier dat ik het wilde, om het lijden te laten ophouden. Ik kon met niemand over mijn ervaringen praten – omdat ik een eed gezworen had tegenover de Geesten dat ik geen woord zou spreken over de meest belangrijke opdracht die mij was toegewezen. Een kind te moeten hebben van de Geesten en dat de Geesten mijn broer moesten veranderen in wat hij geworden was om mij voor te bereiden op mijn opdracht in deze wereld voor de Geesten. En de eed was dat ik levend verbrand zou worden, zoals met de dieren, zodat mijn ziel naar de sterren gestuurd zou worden om gestraft te worden indien ik tegen iemand een woord zei. Dus bleef ik zoveel mogelijk bij andere mensen uit de buurt – zelfs van al mijn broers. De ene broer die om mij begaan was ging altijd weg – diegene die mij ook het nauwst aan het hart lag.

Ik had niet langer het gevoel dat ik nog een familie had: Al mijn andere broers waren op hun eigen manier alleen maar om zichzelf bekommerd, het enige wat ik wist dat bestond was ik die voorbereid werd door de Geesten, door continu pijn en leed te ervaren door mijn broer – gedurende drie tot vier jaar werd mij pijn toegebracht, schreeuwen, vloeken, slagen – behandeld alsof ik niets was, vuil, waardeloos – ik zag er zelfs zo uit. Ik was in een verschrikkelijke toestand. Maar ik slikte alles in, ik omarmde de pijn en het lijden die mij door mijn broer waren toegebracht – zoveel als ik kon absorberen absorbeerde ik, dit ging zover dat ik zoals gezegd nog amper normaal kon lopen, ik was mager en ondervoed. Vanbinnen vroeg ik me af hoe ik in hemelsnaam nog in leven kon zijn want er bleef niets meer over in mij, behalve deze gespannen ervaring van woede, verdriet, wrok doordat ik niets deed om mezelf te verdedigen tegen mijn broer, maar altijd daar met open armen te liggen en zoveel mogelijk pijn en lijden over mijzelf afroepen als ik maar aankon. Ik geloofde dat het de kracht van de Geesten in mij was die mij in leven hield want ik kon geen andere reden bedenken hoe het kwam dat ik nog leefde.

Ik ging vaak alleen de heuvels op om tot de Geesten te bidden – ik toonde mijn wonden aan de hemel, de sterren, en weende mijn tranen van pijn, verdriet – ik durfde geen woede tegenover hen uit te drukken, alleen maar tegenover mezelf – ik deed het allemaal mezelf aan – maar hoopte dat de Geesten zouden stoppen wat ik aan het ervaren was. Ik kon mij niet inbeelden dat menselijke wezens en dieren zoveel pijn en leed te verduren hadden als ik. Maar ik wist het niet en geloofde dat de Geesten het beter wisten. Ik was met de Geesten opgegroeid, de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen – het was mijn leven – daarom deed ik wat ik gedaan heb.

Ik werd pas zwanger van een kind van de Geesten toen ik achttien was. Ik informeerde mijn broer en ik herinner me hoe blij hij was. Hij zei: eindelijk – nu zullen de Geesten ons laten rusten en kunnen we doorgaan met onze opdracht. Ik was opgelucht voor ons beiden toen ik mezelf zwanger voelde zijn – want ik wist dat het een teken van de Geesten was die mij zeiden dat ik genoeg pijn en lijden te verduren gehad had en dat ik nu het pijn en lijden van menselijke wezens en dieren begreep en dat ik klaar en voorbereid was om eindelijk mijn taak te volbrengen de mensen, de wereld en de dieren van het leed te bevrijden.

Maar ik twijfelde er sterk aan of ik in staat zou zijn het kind in mijn toestand te dragen en ik bracht mijn broer van deze bezorgdheid op de hoogte – ik was enorm veel misbruikt gedurende drie tot vier jaar, zelfs ademen was pijnlijk geworden. Toen droeg hij dan degelijk zorg voor mij – mijn broer was teruggekeerd, wist ik, getransformeerd – en alleen hierom, wist ik dat alles de moeite geweest was. Ik heb nooit meer normaal kunnen lopen of zonder pijn – ik had een soort stok nodig om me te helpen lopen. Gedurende de tijd dat ik van het kind zwanger was, droeg mijn broer wonderlijk goed zorg voor mij – ik had me in lange tijd niet meer zo gezond en heel gevoeld. Ik woonde geen enkele bijeenkomst bij gedurende de tijd dat ik zwanger was – ik herinner me dat ik veel huilde, maar van dankbaarheid aan de Geesten en dat ik niet aan hen getwijfeld had.

Dan een geweldige schok: ik begon veel pijn te ervaren toen ik vier maanden zwanger was. Ik begon ziek te worden. Mijn broer liet de moeder van één van de andere leden komen om eens te kijken aangezien zij bekend stond als een soort heelster van speciale medicijnen van de Aarde. Ze zei dat ze kon voelen dat de baby in veel pijn verkeerde en dat ik daarom zelf veel pijn meemaakte. Ze gebruikte allerlei soorten genezingsmethoden gedurende vier tot vijf dagen – ik was alleen met haar in de kamer, heel, heel, heel ziek, hoge koorts – ik herinner me dat ik mij voortdurend nat voelde, koud en dat ik beefde – het voelde als een eeuwigheid. Ik geloof zelfs dat ik tegen mijn moeder gesproken had terwijl ik in die toestand was, zij was daar met me, hield mijn hand vast – ik geloofde ook dat dit de Geesten waren die me bijstonden om hier doorheen te geraken. Maar dan, op de zesde dag – kwam er bloed uit mijn lichaam, veel bloed – en de vrouw schreeuwde. Toen kwam de baby eruit – maar dood, ik perste het eruit, alsof ik er iets uitperste dat niet in mijn lichaam thuishoorde.

Mijn broer kwam binnen samen met de andere leden van de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen – hij keek me aan, hij had tranen in zijn ogen en zei tegen me: Je bent ons tekortgeschoten, je bent de Geesten tekortgeschoten. Ik kon de teleurstelling in zijn ogen aflezen – alle andere leden gingen naar buiten, de vrouw bleef bij me, verwijderde het bloed, waste mij alsof ik haar eigen dochter was en bleef met me de hele nacht. De volgende dag werd ik alleen in het huis gelaten in geweldige pijnen en ik voelde me nog steeds heel ziek. Ik ging voortdurend in en uit bewustzijn – de vrouw kwam alleen nog maar in de avonden om me te verzorgen en ik kon pas twee weken later weer op mijn benen staan. Ik had mijn broer niet gezien sinds hij me gezegd had dat ik hem en de Geesten tekortgeschoten was – de vrouw wilde mij niets laten te weten in verband met hoe het met mijn broer ging.

 

T

oen ik eindelijk weer op mijn benen kon staan, ging ik op een avond de bijeenkomst bijwonen. Ik wist niet of ik al dan niet zou moeten gaan, ik ervoer enorm veel angst en onzekerheid. Alle leden waren aanwezig – maar er was een nieuw meisje, ze had dezelfde leeftijd als ik toen ik begonnen was de bijeenkomsten bij te wonen en zij was ook in een witte jurk, maar dan een prachtige witte jurk, niet zoals het witte laken dat ik had gedragen. Mijn broer zag me – hij riep naar me dat ik moest stoppen en niet dichterbij mocht komen – ik had zo’n angst want ik kon de woede en de walging horen in zijn stem toen hij naar me riep om te stoppen en niet dichterbij te komen. Dus ik stopte onmiddellijk – ik moest hem spreken, ik moest begrijpen wat er aan de hand was – want het was slechts via hem dat ik de Geesten tot mij hoorde spreken, ik had geprobeerd tot hen te spreken, maar ik kreeg alleen antwoorden door gebeurtenissen/signalen en niet via daadwerkelijk spreken. Hij keek me in de ogen en zei: Ik heb tegen je gezegd, je bent ons tekortgeschoten en je hebt de Geesten tekortgeschoten. Je mag dankbaar zijn dat de Geesten je leven nog gespaard hebben – je bent niet gestorven. Wees dankbaar dat je nog leeft – je leven is slechts gespaard omdat je trouw gebleven bent aan de Geesten – maar omdat je kind gestorven is, ben je niet langer prinses van de Geesten, je kan het niet zijn, het kind heeft het niet gehaald in je lichaam. Ze hebben een andere aangesteld – daar is ze. Ik werd door woede verteerd, nee razernij – ik schreeuwde tot de hemelen: Ik heb mijn leven opgegeven voor deze taak waarvoor jullie mij hadden uitgekozen – jullie weten wat ik voor jullie doorstaan heb. Dit is mijn taak om de mensen en de dieren van hun pijn en leed te bevrijden – ik weet wat pijn en leed is! Mijn broer nam me bij de schouder en zei: Je hebt gefaald – je bent niet sterk genoeg. Je kunt hier nier meer zijn – we zijn klaar met jou, de Geesten zijn klaar met jou – de nieuwe prinses die de taak zal volbrengen is al hier, haar voorbereiding is al begonnen – het is gebeurd. Ga nu en doe met jezelf wat je wilt – wees de Geesten dankbaar dat ze je leven gespaard hebben. Mijn broer zei me dat de Geesten hem gezegd hadden om naar een nieuwe prinses te zoeken omdat ik gefaald had en dat ik dankbaar moest zijn – voor het geschenk dat ik gekregen had dat mijn leven gespaard bleef omdat ik hen zo lang trouw gebleven was, zodat ik mijn leven hier kon voortzetten zoals ik wilde – en dat ik nu geleerd had welke pijn en welk leed de wereld te verduren heeft.

Ik was kwaad, geen woorden konden mijn ervaring in mijzelf tot rust brengen. Ik rende – ik rende naar alle andere leden toe van de bijeenkomst, in de richting van het meisje – HET WAS MIJN OPDRACHT, ik aanvaard niet dat het voorbij is – ik ben niet voor niets door al die pijn en al dat lijden gegaan – ik heb een doel te vervullen. Maar, voordat ik haar kon bereiken – hadden alle andere leden mij gegrepen en droegen me ver weg van de bijeenkomst en gooiden me op de grond, in het vuil – precies zoals ik mezelf vanbinnen ervoer: Vies, vuil, waardeloos – precies zoals ik mezelf ervaarde doorheen al die jaren van wat dat de Geesten mij via mijn broer hadden aangedaan. Al mijn broers zeiden me dat ze zich niet meer met mij konden associëren omdat de Geesten mij hadden verlaten – ze zeiden tegen me dat dat de reden was waarom mijn andere broer was weggegaan, omdat de Geesten hem niet erkend hadden een lid te zijn van de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen. Mijn broers zeiden dat indien ze mij ooit nog terugzagen – ze mij levend zouden verbranden.

Er was iets mis…

Ze konden niet goed zijn indien ze mij door al die pijn en al dat lijden zouden sturen om mij dan in de steek te laten. De Geesten waren kwaadaardig – dit is wat ik nu over hen voelde. Ze waren kwaadaardig omdat ze mensen in monsters veranderden en dan onschuldige wezens misbruikten zoals ik dat eens was. Ik geloofde dat ze mensen bezeten maakten en hen tot monsters maakten en dan met ons speelden omdat ze daar plezier in hebben – ze hadden er plezier in om mij te zien lijden en pijn hebben – dit kan niet goed zijn! Ik was zo naïef het te geloven – pijn en leed zijn niet goed – ik zou nooit iemand toewensen wat ik had meegemaakt – dus hoe konden de Geesten dan goed zijn indien ze mij dit aandeden om mij vervolgens alleen te laten - met niets of niemand, enkel de kleren die ik droeg en nergens om heen te gaan. Ik lag daar terwijl er op mij gespuwd werd en ik geschopt werd – mijn broer zei tegen mij, terwijl ze dit deden, dat ze hun loyaliteit aan de Geesten moesten bewijzen door mij nooit meer te zien of te helpen – maar mij moesten verbannen – ik ben niet langer waardig om in de aanwezigheid van de Geesten te zijn. Ik huilde niet – ik kon niet huilen, ik was stil vanbinnen terwijl ik daar lag – alles van mij was vanbinnen uit mij verdwenen, er bleef niets van mezelf over vanbinnen – het was genomen en uit mij gerukt - de Geesten hadden mij gevat – ik ben leeg en ik ben niets: dit was mijn ervaring. Ik voelde mij gewoon als een lichaam waarop gespuwd was en dat geschopt was – niets meer en niets minder. Er was gewoon niets – mijn wanhoop was zo diep dat het voelde alsof er niets was: ik was alles verloren – ik had mezelf verloren – ik was verdwenen…

Ik was daar achtergelaten – opnieuw bloedend en gewond, mijn jurk gescheurd, ik lag daar blootsvoets in foetushouding, de koude wind van de nacht blies op mijn open wonden, mijn ademhaling. Dat is het enige wat ik voelde, mijn ademhaling, mijn lichaam op de zachte grond van de Aarde, mijn kneuzingen die pijn deden, de wind die op mijn open wonden blies, bloed dat van mijn lichaam afdroop. Mijn haar dat in mijn gezicht woei – zand op mijn lippen, in mijn keel – ik had het koud. Het kon mij niet schelen – Ik lag daar gewoon. Zelfs niet het verlangen om te willen sterven bestond in mij – er was gewoon NIETS. Ik besloot daar te blijven en te slapen en wanneer ik de volgende morgen wakker werd zou ik opstaan…

 

I

k werd wakker de volgende morgen, koud – mijn lichaam erg gekneusd, mijn spieren waren gespannen. Ik kwam eerst overeind met mijn armen – ik moest mezelf echt omhoog dwingen – het was heel erg moeilijk, alsof ik voor de eerste keer in mijn leven opstond. Ik kwam overeind op mijn knieën en keek rond – verlaten – ik was alleen. Dit heb ik meegemaakt toen ik negentien was. Ik had moeite om overeind te komen, maar ik kwam overeind – mijn hele lichaam in intense pijn – ik was ernstig geslagen. Ik had geen enkele reden om overeind te komen, om op te staan – ik zei de vorige avond gewoon tot mezelf dat indien ik de volgende morgen wakker werd, ik zou opstaan – en dat is wat ik deed – ik stond gewoon recht. Ik had geen reden, of een doel om op te staan, om mezelf te dwingen om op te staan – ik deed het gewoon. Ik besloot toen om naar mijn broer op zoek te gaan, diegene die ik in jaren niet meer gezien had – misschien kon hij me helpen.

Ik kende toen niemand buiten diegenen die in de Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen waren – ik moest hulp zoeken, ik moest iemand zoeken die mij kon helpen. Ik riep tot de hemel die ochtend en zei: ik ben hier dag en nacht – jullie zijn niet hier dag en nacht – jullie zijn hier alleen maar in de nacht. Ik vervloek jullie, ik verdoem jullie, ik haat jullie – ik zweer voor mijzelf dat ik jullie aan het licht zal brengen, jullie kwaadaardigheid, jullie bedrog dat jullie anderen aansmeren in deze wereld – jullie zijn diegenen die verantwoordelijk zijn voor de pijn en het lijden in deze wereld – jullie doen dit de dieren en de mensen aan en jullie doen niets om hen te helpen. Jullie veroorzaken de pijn en het lijden – jullie zijn diegenen die zich verbergen in de nacht. Jullie kunnen mij niet eens vermoorden zonder het via iemand anders te moeten doen, jullie zijn zwak – ik ben niet bang voor jullie! Ik leef!

En dit gaf me moed – enorme moed vanbinnen toen ik tegen de Geesten opstond – toen ik mij realiseerde dat ik niet meer bang voor hen was omdat ik wist dat ze mij niet konden raken, tenzij via anderen.

Dus ik ging de stad in. Ik had twee uur nodig om er te komen in plaats van 45 minuten. Niemand wilde mij helpen, ik klopte aan deuren op zoek naar iemand om mij te helpen, maar de deuren werden in mijn gezicht dichtgeslagen omdat ze mij vertelden dat ze geen kwaad in hun huis wensten en omdat ze bang voor me waren omwille van hoe ik eruit zag, ze dachten dat ik een ziekte had omwille van alle brandwonden die ik op mij had die op uitslag van een ziekte leken, ze dachten dat ik een bedelaar van de straat was, niemand herkende mij omdat ik in geen jaren in de stad geweest was. Ik ging naar de heler die daar was – er was niemand thuis. Er was een stad dichtbij, maar het was meer dan een halve dag reizen om daar heen te gaan – en ik dacht dat mijn broer daar misschien heengegaan was. Het enige wat ik kon doen was lopen zoals ik kon – misschien, misschien ging iemand een moment van zijn tijd geven om mij te helpen…

Ik verliet de stad, langzaam maar zeker, stap voor stap, blootsvoets met een gescheurde jurk – ik had honger, ik was moe, ik was gekneusd, ik had pijn – elke stap was pijnlijk, maar de pijn verdween naarmate ik verder liep – op weg naar de stad in de hoop mijn broer te vinden. Ik stopte nu en dan langs de weg om een ogenblik te rusten, het was een vuile weg naar de stad – we leefden in de buitenwijk van de stad. Er was niets of niemand op straat – ik was alleen. Maar ik wist dat ik het aankon – omdat ik jaren van pijn en leed doorstaan had – indien ik dat kon doorstaan, dan kon ik dit vast en zeker.

Dus ik liep verder, zoals ik zei, stap voor stap, de ene voet voor de andere totdat ik ineenzakte. Ik weet niet hoe lang ik daar gelegen had, maar toen ik wakker werd, was het avond geworden. Ik lag daar een tijdje wakker en toen stond ik weer op en liep verder met grote moeite – ik vroeg me soms af of ik het zou halen…

Vanachter mij hoorde ik paarden komen – eindelijk iemand op weg naar de stad, ik stond daar en wachtte totdat ze voorbij zouden komen. Het was een vrouw met haar man en hun kind op weg naar de stad – ik zag er toen erg jong uit, ze hielden halt voor mij en men kon ’s avonds niet zo goed zien hoe ik eruit zag. De man vroeg me wat ik aan het doen was op deze godvergeten plek en ik vertelde hen dat ik door mannen aangevallen was en dat ik dringend een dokter of een heler moest zien. De vrouw nam een deken en ze leek erg om mij begaan – ze plaatste de deken over mij heen en ik legde me neer achter in de kar. We bereikten de stad veel later in de avond. Ik verwijs ernaar als een stad want ze was veel uitgebreider, beschaafd en groter dan het dorp waar wij vandaan kwamen.

We stopten bij hun huis, de vrouw ging het huis binnen en bracht een andere man op de hoogte van mijn situatie. Ze namen me het huis in vanuit de kar – de twee mannen moesten me naar binnen dragen, mijn benen konden eenvoudigweg niet bewegen. Toen ik in het licht van het huis was – zagen de man en de vrouw in wat voor toestand ik werkelijk verkeerde en kregen een serieuze schok, op zijn zachtst uitgedrukt. Ze gingen haastig weg en ik werd in een badkuip geplaatst zonder water – ik werd er gewoon in gelegd. Twee andere vrouwen die witte kleren droegen kwamen en ze gaven me een bad met handschoenen, en bleven op enige afstand van mij. Ze verzorgden mijn kneuzingen, ik kreeg voedsel om te eten en ik herinner me dat ik in slaap viel in een ongelooflijk comfortabel bed en ik dreef weg.

 

I

k werd twee dagen later wakker, zo kwam ik te weten. De man die de huisbewaarder van het huis was – hij werkt voor de spoeddienst, vertelde hij me, dus hij werkte enkel ’s avonds. Hij vroeg me wat er mij overkomen was en ik vertelde hem wat ik tot dusverre in dit document met jullie gedeeld heb en dat ik hier ben om mijn broer te vinden. En hij zei het gekste ding: ‘Wat een verhaal voor een meisje dat van de straat komt, je hebt een serieuze verbeelding jong meisje.’ Hij rapporteerde mij aan een ‘officiële officier’, omdat hij niet wist wat anders met mij te doen, die mij kwam halen en ik werd in een cel geplaatst waarin ik voor drie dagen verbleef. Ik zou zeggen dat hij meer bang was voor mij omdat hij mij niet kende en bang was dat ik iets uit zijn huis zou stelen.

Ik verzocht hen om mijn broer te vinden en ik vertelde hen waar ze diegenen zouden kunnen vinden die één avond per week naar de bijeenkomsten gaan: Maar ze wilden mij niet geloven, ze dachten dat ‘de straat mij gek gemaakt had’. Ze geloofden zelfs niet waar ik vertelde dat ik vandaan kwam – gebaseerd op de belachelijkheid van de ervaring die ik met hen gedeeld had. Ze zochten naar mijn broer zoals ik hen gevraagd had en ze vonden hem daadwerkelijk. Hij kwam me halen. Hij had zichzelf goed uit de slag weten te trekken, hij had een fraaie jas, een mooie hoed, fraaie schoenen – en hij wandelde met me naar zijn huis. Het was een klein appartement. Hij sprak niet tegen me – ik wilde hem omhelzen vanaf het eerste moment dat ik hem gezien had, ik voelde voor het eerst sinds lang een warmte in mij, maar hij draaide zich gewoon om. Ik nam het hem niet kwalijk, ik was niet kwaad – ik begreep het. Toen we zijn appartement binnenkwamen – viel ik op mijn knieën en huilde en huilde en huilde en hij kwam naar me toe en sloeg zijn armen om me heen en hield me vast totdat ik ophield. Hij maakte mij thee en gaf me een stoel en toen vertelde ik hem alles wat er gebeurd was gedurende de jaren sinds ik hem het laatst had gezien.

Eerst schreeuwde hij tegen mij, hij was kwaad op me, teleurgesteld – ik erken dat alles waar hij in dat moment uitdrukking aan gaf, was wat ik tegenover mezelf ervaren had wanneer ik mij realiseerde wat ik gedaan had met de Geesten en hoe ik zo dom had kunnen zijn om het te geloven. Maar toen, toen kwam hij naar me toe en zei: het is oké, je bent nu oké. Ik voelde mij opnieuw veilig, beschermd en die avond had ik opnieuw een goede comfortabele slaap.

Toen ik de volgende morgen wakker werd, introduceerde mijn broer mij aan een predikant. Ik had geen idee van wat ‘God’ was of ‘Jezus’ of wat een ‘predikant’ was. Voordat de predikant tegen me sprak, zette mijn broer mij neer en zei tegen mij dat hij zijn redder gevonden had: Jezus Christus van God en dat het zijn leven gered had. Er lag een boek op de tafel – het heette: Bijbel. Hij legde me kort uit waar hij in geloofde en hij zei dat hij niet zou zijn waar hij nu is, wie hij nu is zonder Jezus in zijn hart en hij gelooft dat er een God is die over ons allen waakt en die iedereen in zijn ‘Hart’ houdt. Vanbinnen in mij had ik één gedachte: Nog meer Geestenleugens. Ik wilde niets te maken hebben met Geesten en deze ‘God’ waarover hij sprak had erg veel weg van een Geest. Ik luisterde naar wat de prediker te vertellen had – dat ik in staat ben om er voor te voorkomen dat ik brand in de hel met de Duivel en naar de hemel kon gaan als ik Jezus in mijn hart toeliet, de Bijbel las, bad tot God en altijd naar de kerk ging en Jezus/God vroeg om mijn zonden te vergeven. Ik was sprakeloos.

Nadat de prediker weg was – zei mijn broer: laat God, laat Jezus in je hart, bid voor vergeving van al je zonden – verwerp de Duivel die vanbinnen in je zit en laat Jezus je redden, dan zal je wanneer je sterft, en ik wanneer ik sterf naar de hemel gaan en met God zijn.

In woede zei ik tegen hem: hoe kan je geloven dat deze God goed is, hoe kan je geloven dat hij over ons waakt – na alles wat ik je verteld heb van wat er met mij gebeurd is. Zijn antwoord was eenvoudigweg: omdat je God/Jezus nog niet in je hart had toegelaten. Ik stond daar in absoluut ongeloof – omdat het geloof dat hij uitgelegd had niet verschillend leek van wat ik geloofd had met de Geesten. Hier had je hetzelfde: Verering en aanbidding van een soort Geest – met als verschil dat de Geesten waarin ik geloofd had geen ‘Heilig Boek’ hadden – dus in zekere zin had deze Geest-God zich populair weten te maken – maar wat mij betrof, vanbinnen – leek deze ‘God’ mij niet verschillend van de Geesten die ik ervaren had, deze ‘God’/’Jezus’ had ook ‘iemand nodig om via te spreken’ zoals in het geval van de prediker net zoals de Geesten via mijn broer spraken: Geen enkel verschil.

Ik sprak met mijn broer over de gelijkenissen van de Geesten en zijn God-Geest en dat er absoluut geen verschil was – dat het Geesten waren die ons mensen beetnemen, via andere menselijke wezens, die een bedrieglijk spel met ons spelen en plezier hebben aan onze pijn en ons lijden. Hij zei tegen me: Ik had verwacht dat je zo zou reageren – kom binnen mannen. En toen renden twee mannen plotseling de kamer binnen, ik had hen nog nooit eerder gezien. Ze grepen me bij de armen en drukten me tegen de vloer. Ik riep en schreeuwde en zei tegen mijn broer dat de Geesten hem aan het bedotten waren, met hem aan het spelen waren – ze willen dat je hen vereert en hen aanbidt en ze willen hun zin doen en dus bedriegen ze je, zij zijn diegenen die de pijn en het leed veroorzaken – en niets en niemand anders. En dat ze niets kunnen doen om je te kwetsen behalve via iemand anders. De prediker was plotseling terug. Mijn broer hield mijn voeten tegen de grond, de twee andere mannen hielden mijn armen vast en de prediker stond boven me heen met zijn kruis dat nat was en de Bijbel in zijn linker hand. Hij sprak een vreemde taal, woorden die ik niet begreep. Ik schreeuwde om mijn broer en vroeg hem wat hij met mij aan het doen was en hij zei dat de prediker gekomen was om de bezetenheid van het kwaad vanbinnen in mij te verdrijven, want het is het kwaad waarvan ik bezeten ben dat niet wil dat ik Jezus/God in mijn hart toelaat, niet ik. Hij bleef gewoon zeggen: Aanvaard Jezus, aanvaard God – de twee andere mannen waren zachtjes woorden aan het mompelen als een gebed tot God en Jezus. Ik bleef gewon herhalen: Jullie zijn diegenen die bezeten zijn – niet ik!!!

Ik had er genoeg van om te schreeuwen en te schoppen en te roepen en te worstelen – dus hield ik er gewoon mee op en ademde. Toen ik ophield, hielden alle anderen ook op en staarden me aan en de prediker vroeg mij: Hoe voel je je mijn kind? En ik antwoordde eenvoudigweg: Ik ben in orde, ik voel me oké, ik zou gewoon graag willen rusten. Dus raapten ze me op van de vloer. De prediker onderzocht mij, keek in mijn ogen, liet me allerlei soorten geluiden maken om de klank van mijn stem te horen en hij informeerde mijn broer: Alles is in orde – het is gebeurd en indien hij iets vreemds zou ervaren – dan moet hij hen opnieuw roepen. Ik nam opzettelijk de Bijbel en ging de kamer in en sloot de deur zodat ze zouden denken dat ze werkelijk iets gedaan hadden.

 

T

oen ik in bed lag – dacht ik dat de hele wereld van de Geesten bezeten was – Geesten die zich op allerlei verschillende manieren aan mensen tonen om hen te bedriegen, maar mij konden ze niet bedriegen. Ik kende de waarheid. Ik begreep toen dat het de meest onmogelijke taak was om mensen naar mij te doen luisteren – omdat de Geesten hen allemaal bezaten en in dat moment voelde ik mij alleen, heel erg alleen in deze ganse wereld als de enige die het bedrog zag van de Geesten waarin menselijke wezens geloofden. Ik wist niet wat te doen. Ik weigerde alleszins in welke Geest dan ook te geloven en ik wist dat als ik niet meeging in het geloof van mijn broer hij die bezeten mannen opnieuw zou sturen om te proberen om mij bezeten te maken van de Geesten zodat ik hen zou vereren en aanbidden. Ik had nergens anders om heen te gaan…

Ik lag daar overdag tot de avond – mijn broer kwam nu en dan eens kijken want ik hoorde de deur opengaan, maar ik deed alsof ik sliep – ik wilde niet met hem praten, ik wilde met niemand praten aangezien ik echt geloofde dat deze ganse wereld al door deze Geesten bezeten moest zijn, de Geesten bezaten de wereld en ze spelen en lachen met menselijke wezens die lijden en pijn ervaren: Hier was ik zeker van. Dus begon ik over de dood na te denken, vanuit het perspectief dat: als al de rest wat de Geesten mij over hen verteld hadden een leugen was en hoe ik moet leven en trouw moet zijn – hoe zit het dan met wat er gebeurt wanneer ik sterf. Want ik verstond maar al te goed dat zij hier geen macht hadden tenzij door mensen – en ze bedriegen door wat ze tegen en door mensen zeggen – dus, wie weet hadden ze ook gelogen over hemel/hel of met de Geesten zijn of dat indien ik sterf en niet trouw gebleven was aan de Geesten zij me zouden veroordelen en straffen in de dood zoals mij door mijn broer verteld was? Ik wist dat Geesten bestonden – dus ik zal nog bestaan wanneer ik dood ben. En op dit moment leek het een schitterend idee om mezelf van deze wereld te verwijderen – misschien zou ik in staat zijn iets te doen aan de andere zijde en daar met mensen hier praten – misschien zullen ze dan naar me luisteren…

 

I

k was niet bang op dat moment om mezelf van deze wereld te verwijderen – helemaal niet. Omdat ik begreep dat ik hier geen kans had en ik wist niet wat er met mij zou gebeuren indien ik eenvoudigweg weigerde om in de Geesten te geloven of mijzelf aan hen te geven. Ik kende niemand anders, behalve diegenen die ik tot dusverre in mijn leven ervaren had – het leek alsof de ganse wereld door hen beheerst werd. Ik wilde niet in deze door Geesten bezeten wereld bestaan waarin ze mij dwingen om mij aan hen te geven en hen te vereren, prijzen en tot hen te bidden en op die manier hen een kans te geven om mij bezeten te maken. Dus stond ik recht, heel erg vastberaden – nam een mes uit de keuken, ging naar bed – en sneed mijn polsen door – heel diep om er zeker van te zijn dat ik zou sterven. Ik herinner me dat de pijn zo extreem intens was, al het bloed om mij heen – en ik voel me bewusteloos, mijn laatste moment op Aarde. En ik stierf.

Toen ik gestorven was – realiseerde ik mij dat ik gelijk had, ik bestond nog steeds en ik wilde meteen op zoek gaan naar mijn broer, om in hem te gaan en met hem te praten. Maar, het moment dat ik gestorven was – was alles wit om me heen, alsof ik ergens in opgesloten was. Ik zag er nog steeds hetzelfde uit: lang bruin krullend haar met een witte jurk waarin ik gestorven was, maar nu zonder bloed. Twee mannen benaderden mij. Twee mannen met vleugels, met een fel goud en wit licht dat vanbinnen uit hen resoneerde, goudbruin stijl haar, volmaakte vormen en ook met witte gewaden en ik wist meteen vanbinnen in mij: Geesten. Ik eiste van hen dat ze mij de weg zouden tonen terug naar de Aarde waar alle andere mensen existeerden en om mij niet hier bij hen te houden. Ze glimlachten en zeiden nee: we zullen je de eeuwigheid laten doorbrengen met de Schepper van het Al – de Aarde en menselijke wezens zijn de zorg van de Schepper en niet de jouwe. Ik mocht nu gaan rusten.

Ik lachte, ik lachte en ik lachte en ik lachte. Ik weigerde – ik weigerde simpelweg, omdat deze verdomde Schepper waarschijnlijk ‘DE GEEST’ die voor al de pijn en het lijden op deze Aarde verantwoordelijk is en dat ze enkel wilden dat ik daarheen ging zodat ik zou zwijgen en vergeten wat ik hier op Aarde had ervaren, dat deze Geest verantwoordelijk is voor al de pijn en lijden van iedereen op deze wereld. Ze wilden mij daar gewoon heen sturen zodat ik niet met mensen op Aarde zou spreken, zodat zij de waarheid zouden ontdekken van wat de verdomde Geesten met hen uitvoeren. Ik kon niet gewoon weggaan en schijnbare vrede en gelukzaligheid ervaren terwijl ik vanbinnen in me de waarheid ken van wat menselijke wezens op Aarde aangedaan wordt en wat ik in mij ervaren had: de bedrieger in deze existentie was juist deze Geest net als deze twee wezens die dienaars van de Geesten waren, die probeerden mij te manipuleren met gelukzaligheid, vrede en rust zodat ze me zouden kunnen controleren om de waarheid niet te spreken tegen mensen op Aarde. Ik maakte hen dit kenbaar en ze keken mij gewoon recht in de ogen en zeiden: Je hebt jezelf veroordeeld. En ze gingen weg, ze lieten mij achter in die witte ruimte en dat is alles waarin ik ooit bestond en ik kon er niet uitkomen – want waar ik ook heen rende, of stapte, omlaag, links, rechts, diagonaal – er was alleen wit: Met niets of niemand rondom mij. Ze kwamen, nu en dan keerden ze terug, stelden mij dezelfde vraag – ik ging ofwel hier blijven ofwel terugkeren naar de Schepper. Ze probeerden mij te manipuleren door te zeggen – het zal daar beter zijn dan hier te blijven. Wat is nu het verschil… etc. Maar ik weigerde – ik zou mijzelf niet aan de Geest geven of aan de Geesten of aan welke geest dan ook en ze zouden mij ook niet terug naar de Aarde sturen. Ik wist dat ik niets kon verrichten waar ik opgesloten zat – maar ik zou niet, nooit zou ik mijzelf geven aan de Geesten.

 

D

us bleef ik in de omsloten ruimte gedurende vele, vele, vele, vele aardejaren totdat de dimensies begonnen te veranderen en ik ‘bevrijd’ werd uit de ruimte waarin ik opgesloten zat en het proces van alle wezens in de dimensionale existentie begon tot waar we vandaag zijn: Iedereen in de dimensies die zichzelf assisteert en ondersteunt om in eenheid en gelijkheid als leven te staan – precies hetzelfde proces dat op Aarde zal bestaan voor elke en ieder individueel menselijk wezen op Aarde. Dus – alle ‘Geesten’ die geprobeerd hadden menselijke wezens te controleren en te bedriegen bestaan niet langer zoals ze deden – aangezien al dergelijke afscheiding is opgehouden.

(Om het ganse proces dat ik ervaren heb in de interdimensionale existentie uit te leggen, zou vele boeken in beslag nemen, dus zal ik nu verdergaan met wat ik mij gerealiseerd heb:)

In het proces gedurende de veranderingen die hadden plaatsgevonden in de dimensionale existentie – realiseerde ik mij dat datgene wat mijn broer en de hele ‘Cirkel van het Koninkrijk van de Hogen’ ervaren hadden kwam door het brouwsel dat gemaakt werd, welk van een plant gemaakt werd die ‘deuren opende tot andere dimensies’ en dat het inderdaad ‘wezens van de andere zijde’ waren die mijn broer bezeten hadden en ons allemaal daar, maar dit was alleen maar mogelijk als we het brouwsel gedronken hadden. Dus wat ik zag, nadat ik het brouwsel voor de eerste keer ingenomen had als de wezens in het wit met zwarte ogen in feite waren wat we nu zijn komen te kennen: Demonen – ‘die speelden met menselijke wezens als poppen’. (OPMERKING: Demonen bestaan ook niet meer, ze bestonden alleen gedurende de tijd voordat de dimensies veranderden). En dat mijn broer in die tijd letterlijk tamelijk verregaand door dergelijke demonische Geesten bezeten en misbruikt geweest was die ook mij geraakt hadden.

Het hele ontwerp dat er een ‘God’ is, ‘Jezus’, ‘Duivel’, ‘Hemel’, ‘Hel’ etc. – was ontworpen in deze wereld door zowel menselijke tussenkomst als tussenkomst van Geesten, vele jaren geleden, hetgeen het ganse religieuze concept gevormd heeft waarin vele menselijke wezens op dit ogenblik verloren zijn.

Dat deze ganse existentie, alle wezens in existentie, gevangen, verloren en tot slaven gemaakt waren van henzelf: Hun eigen geloofsovertuigingen/ideeën/concepten/misconcepties, percepties etc. – en dit is letterlijk IEDEREEN VAN ONS, zelfs de vermeende Geesten in de dimensies gedurende de tijd voordat de dimensies veranderden, waren verloren in henzelf, aan henzelf. We waren allemaal verloren in de verlorenheid van onszelf van de verlorenheid van deze existentie.

Dat er zo’n plaats niet bestaat, buiten het zelf, afgescheiden van het zelf, als ‘rust’/ ‘van vrede’/ ‘gelukzaligheid’ – dit is allemaal een concept / een ontworpen idee.

Dat ikzelf in deze existentie geparticipeerd heb zoals ze nu bestaat op dit moment – ik kon al mijn participaties in de existentie natrekken en hoe en waarom ik geaccepteerd en aanvaard had om mijzelf in dergelijke ervaringen te plaatsen zoals ik in mijn voorbije leven gehad had op Aarde: En dit was een schokkende realisatie: Dat ik, ikzelf, mij – verantwoordelijk was voor wat ik ervaren had – het was niet de schuld van de Geesten in die tijd, niet de schuld van mijn broer in die tijd, het was niet de schuld van hoe de existentie functioneerde in die tijd: Ik was verantwoordelijk.

Dat er niet zoiets bestaat als een redder/ een god / iets of iemand die me van mijzelf zal redden, als wat ik in mijzelf ervaar, in deze existentie.

Dat er geen enkele plaats is in deze existentie waar ik heen kan rennen, om ‘aan mijzelf te ontvluchten en wat ik binnen in mijzelf ervaar’ zodat alles wat ik in mij ervaar weggaat.

Dat er geen plaats is in dit bestaan waar ik heen kan rennen of heen kan gaan om op die manier mijn pijn en lijden te doen weggaan.

Dat er niemand is in dit bestaan die mijn pijn en lijden van me kan wegnemen – ik moet het voor mezelf doen, op mezelf – alleen.

Dat alles wat ooit in dit bestaan geëxisteerd heeft, alles wat ik en elk ander individueel wezen in het bestaan op dit ogenblik ervaart: Ik net als iedereen is hier individueel voor verantwoordelijk, omdat we toegestaan en geaccepteerd hebben dit onszelf aan te doen.

Dat ik met mezelf geconfronteerd moest worden als alles wat ik toegestaan en geaccepteerd heb in mezelf, hetgeen de pijn en het lijden veroorzaakt heeft dat ik heb ervaren.

Dat channels en helderzienden in deze wereld spreken tegen niet-bestaande dimensionale wezens die in hun eigen mind bestaan en dat is geen feitelijke communicatie is met een interdimensionaal wezen. Daadwerkelijke interdimensionale communicatie bestaat op dit ogenblik slechts hier in en als het Portaal – want het lichaam van het meisje doorheen wie ik aan het typen ben – verlaat haar lichaam volledig, compleet, nu ben ik hier in en als haar menselijk fysieke lichaam alsof het mijn eigen lichaam was, ik communiceer direct tot jullie als mezelf als wie ik ben. Ik heb hier voor het merendeel van de dag aan dit document geschreven terwijl zij in de dimensies participeert. Er is geen channel/helderziende in deze wereld die zijn lichaam volledig verlaat – dus, je weet – ze spreken tot niet-bestaande ‘entiteiten’ van hun eigen mind, in hun eigen mind.

Ik begrijp je huidige ervaring van jezelf. Ik als jij als alle menselijke wezens in deze wereld als alle dimensionale wezens die in deze wereld geweest zijn hebben extreem vreselijke ervaringen in deze wereld meegemaakt – er bestaan geen woorden voor de meeste van deze ervaringen.

Misbruikt worden, gemanipuleerd, bedrogen, misleid, belogen worden – de ervaring daarvan wordt zoveel – het is alsof je er volledig door omgeven bent, altijd, ongeacht waar je heengaat, alsof je in en als het bent en je kan er niet van weg komen – bedrog, leugens, onoprechtheid, misbruik, manipulatie – tot op het punt waarin je voelt dat je erin verstikt, en het lijkt alsof er geen uitweg is. Het verdriet, de woede, de pijn, het lijden wordt zo groot dat men ernaar neigt zich af te vragen hoe men op zo’n manier kan blijven voortbestaan…

Ik begrijp dat je op dit ogenblik denkt dat jezelf verwijderen van deze wereld alles zal oplossen wat je op dit moment in jou en je wereld ervaart. Dat wanneer je jezelf van deze wereld verwijderd je weg zal zijn van alle stalkers, je familie, je hele wereld… maar wat je moet horen, is dat je kunt denken/geloven dat het je huidige situatie als de stalkers, je familie en je ganse ervaring in deze wereld de reden en de oorzaak is waarom je jezelf wilt verwijderen uit deze wereld… maar dat is niet zo. Je mag dan denken/geloven dat indien je jezelf van deze wereld zou verwijderen alles in jezelf, je ervaring, alle pijn en het lijden, gewoon zal verdwijnen en dat je in de dimensies je rust en vrede zal vinden en dat alles gewoon zal weggaan… het zal niet zo zijn en het is niet zo.

Je ervaring van jezelf zal niet veranderen in de dimensies, omdat je op dit ogenblik denkt/gelooft dat het jouw situatie/omstandigheid is die op dit moment de ervaring in jou veroorzaakt, dat de wereld je laten zitten heeft, je verlaten heeft, je familie heeft je laten zitten, heeft je verlaten – maar dat is niet zo, het is niet de waarheid.

 

D

e werkelijke situatie is dat je niet meer met jezelf wilt leven – je voelt je gebroken, verloren, waardeloos, alleen, misbruikt, gewond, gekrenkt vanbinnen in je – en je wilt gewoon dat de pijn en het lijden in jou ophouden, en je denkt/gelooft dat jezelf van deze wereld verwijderen de oplossing is voor de pijn en het lijden dat je in jezelf ervaart: dat is het niet – want nu, wordt ieder en elk individueel menselijk wezen dat ‘oversteekt’ geconfronteerd met alles wat ze toegestaan en geaccepteerd hebben te worden in henzelf – dus, net zoals je jezelf nu ervaart op dit moment, zo zal je jezelf ervaren in de dimensies en veel intenser nog dan je je kunt voorstellen – want het is niet waar je bent in deze wereld, noch wat je huidige situatie is in deze wereld dat het ‘probleem’ is – de reden en oorzaak voor al je ervaringen in jezelf is omwille van acceptaties en toelatingen in en van jezelf – niets of niemand anders is verantwoordelijk.

Dus – nu, zal eenieder geconfronteerd worden met zijn eigen verantwoordelijkheid, geconfronteerd worden met alles wat ze toegestaan en geaccepteerd hebben in henzelf – of het nu hier op Aarde of in de dimensies is: Er is geen ontsnappen aan het zelf en jezelf confronteren met dit proces van verantwoordelijkheid nemen voor wat je hebt toegestaan en geaccepteerd hebt in jezelf.

Dit is zo gedaan – omdat elkeen zich moet realiseren dat ieder en elk van ons verantwoordelijk is voor wat we onszelf aangedaan hebben en anderen als onszelf in de existentie als wat we onszelf op dit ogenblik ervaren: Dit wordt gedaan door onszelf te confronteren, alles te confronteren wat we zijn geworden in onszelf en wat we in onszelf ervaren, om op te staan in onszelf en zelfverantwoordelijkheid te nemen om niet langer minder van onszelf te accepteren dan wie we werkelijk zijn in elk moment van ademhaling - hier - toe te staan en te accepteren. Zodat we zullen stoppen, zodat we al wat we geworden zijn zullen stoppen en wat we in onszelf ervaren en om nooit meer zo’n existentie toe te staan of te aanvaarden.

Jezelf verwijderen van deze wereld is geen optie, omdat je geen vrede zal ervaren, je zult geen rust vinden en je zult niet ontsnappen van al hetgeen je momenteel ervaart in jezelf: dat is niet hoe het werkt. En ik zou stellig aanbevelen dat je het niet overweegt – omdat je je dan zal realiseren dat je een grote fout gemaakt hebt en dat je op precies dezelfde manier zal bestaan als je jezelf ervaren hebt op Aarde, op geen enkele manier anders, maar tegelijkertijd ook intenser, en dat je sowieso door het proces moet gaan, precies zoals dat hier op Aarde gebeurd zou zijn – dus, ik stel voor dat je jezelf toepast in dit proces hier op Aarde, het is veel eenvoudiger om dit proces hier op Aarde te doen dan in het dimensionale bestaan.

 

D

us ik stel voor dat je opstaat in jezelf hier op Aarde.
Ik versta je, in die zin dat je ‘geprobeerd’ hebt om jezelf te helpen – maar daarin ligt al het probleem, het probleem ligt in het woord ‘geprobeerd’. Wat dan betekent dat je jezelf eigenlijk nooit daadwerkelijk geassisteerd en ondersteund hebt – je ging gewoon voort met de ervaring in jezelf te aanvaarden en toe te staan. Want het woord ‘proberen’ wordt gebruikt wanneer je jezelf al hebt opgegeven en niet daadwerkelijk bent opgestaan in jezelf om werkelijk jezelf effectief te assisteren en ondersteunen.

Wat ik me gerealiseerd heb door mijzelf te verwijderen van deze wereld is dat ik in werkelijkheid ‘op zoek was naar een oplossing ergens ‘ginds’, ergens buiten mezelf, en hoopte dat het in een andere plaats zou zijn – en het was niet waar ik dacht/geloofde dat het zou zijn toen ik mezelf verwijderde van deze wereld en dat mijn situatie in de dimensies niet anders was dan wat ze geweest zou zijn hier op Aarde – het was in feite veel erger geworden (zoals gezien kan worden in wat ik beschreven heb).

Ik was zo dom te denken/geloven dat ik werkelijk een oplossing zou vinden voor de ervaring van mezelf buiten mezelf, ergens anders, afgescheiden van mezelf – want de oplossing was in feite altijd hier, vlak voor mijn neus: IK. Het is ik als wie ik ben dat ertoe doet, dat het verschil maakt – niet waar ik ben, die ik zal niet de oplossing vinden voor wat ik ervaar door ervan weg te lopen, want dit is opgeven – dit is niet in zelfoprechtheid zelfverantwoordelijkheid nemen voor mezelf als wie ik ben door mezelf te confronteren met alles wat ik in mezelf toegestaan en geaccepteerd heb.

In zelfoprechtheid: Je hebt nog niet daadwerkelijk verantwoordelijkheid genomen voor jezelf en jezelf geassisteerd en ondersteund in de huidige situatie waarin je jezelf ervaart.

Ik stel voor dat je werkelijk opstaat in jezelf en zelfverantwoordelijkheid neemt voor jezelf als wie je werkelijk bent. We moeten beginnen, we moeten stoppen wat van deze wereld geworden is, we moeten stoppen wat we in onszelf toegestaan en geaccepteerd hebben, we moeten stoppen wat we onszelf en anderen hebben aangedaan en dit gebeurt niet door weg te lopen, op te geven of jezelf uit deze wereld te verwijderen – en de enige plaats waar we in staat zijn te beginnen is hier in onszelf in elk moment van ademhaling door op te staan en zelfverantwoordelijkheid te nemen.

Het grootste geschenk dat je jezelf kan geven is zelfvergeving, waar je jezelf aan jezelf geeft. Ik stel voor om echt daadwerkelijk zelfvergeving te beginnen toe te passen voor alles wat je in jezelf ervaart. Al de pijn en het leed dat je in jezelf ervaart: Daar pas je zelfvergeving op toe. Ik stel voor dat je je ervaringen in detail neerschrijft – alles wat je in jezelf ervaart van het verleden tot waar je nu bent en terwijl je schrijft pas je zelfvergeving toe. Want op die manier, door te schrijven, laat je alles los in jezelf door het voor jezelf te plaatsen in woorden – en tezamen hiermee, echt daadwerkelijk zelfvergeving toepassen. Dit is de eerste stap van op te staan in jezelf en zelfverantwoordelijkheid te nemen – door alles los te laten in jezelf door het neer te schrijven/typen en ondertussen zelfvergeving toe te passen.

Om dan in elk moment van ademhaling – niet te accepteren/toestaan dat je mind als gedachten/gevoelens/emoties je beïnvloedt in jezelf, want kijk eens – het is je participatie in al die gedachten/gevoelens en emoties in jezelf die de pijn en het lijden veroorzaakt – en JIJ en ALLEEN JIJ door de toepassing van jezelf in elk moment van ademhaling door je participatie te stoppen in de gedachten, gevoelens en emoties tezamen met zelfvergeving bent in staat te stoppen wat je op dit moment in jezelf ervaart: Niets en niemand anders kan dit voor jou doen, je moet jezelf assisteren en ondersteunen.

Sta jezelf niet toe/accepteer niet van jezelf om jezelf op te geven. Kijk naar wat je in staat bent te doen in deze wereld waarmee je in staat bent jezelf te assisteren en ondersteunen zoals het verdienen van geld en dan misschien een andere plaats om te wonen, ga daar weg en zie wat je in staat bent te doen, kijk naar alle opties die je in staat stellen geld te verdienen, misschien tegelijkertijd een andere plaats om te wonen – maar je moet daadwerkelijk opstaan en het voor jezelf doen – wees de oplossing en stuur jezelf en de ervaring in je wereld op zo’n manier dat je in staat zal zijn jezelf effectief te assisteren en ondersteunen. En hierin jezelf te assisteren en ondersteunen in praktische toepassing betekent ook niet minder van jezelf toestaan/accepteren dan wie je werkelijk bent. Je moet jezelf en je wereld sturen – wacht niet dat er iets voor je gebeurd, stuur jezelf en je wereld op zo’n manier dat je jezelf effectief kan assisteren en ondersteunen in dit proces.

Indien je verdere assistentie nodig hebt met betrekking tot zelfvergeving: laat het ons weten – we zijn hier om je te assisteren en ondersteunen.

Uersti




omhoog
Share/Save/Bookmark
 
You need Flash player 6+ and JavaScript enabled to view this video.